Sint-Annakapel

Sint-Annakapel

AL_0846

In de literatuur lezen we: ‘bakstenen wegkapel gelegen op een vijfsprong (+/- 1648). De kapel bestaande uit één traveé met driezijdig afgesloten koor.’ Volgens de overlevering zou de toenmalige heer van Vinderhoute, destijds de heer Jan Wouters, een grote kinderwens gehad te hebben, die echter niet zomaar in vervulling ging. Hij zou dan gebeden hebben tot de heilige Anna en beloofd hebben om een kapel ter hare ere op te richten indien zijn vrouw zou bevallen van een nakomeling.

Blijkbaar werd zijn wens goed aanhoord en beviel zijn vrouw van een tweeling: Ernestine en Franciscus. Als dank hield hij zich aan de belofte en werd deze kapel gebouwd. In de kapel werden de portretten van de kinderen geplaatst. De kinderen werden afgebeeld in ‘kloosterkledij’. De heer van Vinderhoute zou beloofd hebben om de kinderen zeven jaar lang als kloosterling te kleden. Dit paste perfect binnen de katholieke cultuur van de contrareformatie: men droeg als het ware de kinderen op aan God.

Dit is een mooi volksverhaal, dat lange tijd als waar werd verteld. Recent onderzoek toont aan dat het verhaal van de tweeling niet klopt: de jongen werd geboren in 1646 en het meisje zou reeds in 1635 geboren zijn. Dus werd de kapel gebouwd om een andere reden. Een mogelijkheid is dat de kapel dankbetuiging was voor een mannelijke nakomeling. Maar zeker is dit niet. Er doen ook andere geruchten de ronde: was het als dank voor een genezing? De portretten van de kinderen bevinden zich nu in de sacristie van de St.Bavokerk.

De kapel getuigt van de diep ingewortelde katholieke cultuur. Dezelfde katholieke inslag speelde in de negentiende eeuw een belangrijke rol in de strijd tegen armoede en honger. De ‘ellendige negentiende eeuw met misoogsten en werkeloosheid ten gevolge van de industriële revolutie' had een groot impact op de bevolking. De kerk en de katholieke burgerij deden er alles aan om de mensen via geloof en liefdadigheid op het goede pad te houden.

Arm en rijk werden aan elkaar gebonden door ‘liefdadigheid’. In de opvoeding van de burgerij stond het voor de dames ‘chique’ om op bezoek te gaan bij de arme arbeiders of keuterboeren. De rijke gaf en de arme moest de rijke dankbaar zijn om de gift. De dame van Lovendegem was gekend voor haar liefdadigheid. Zo zorgde ze bvb voor kledij en feest van een arme communicant op voorwaarde echter dat de ouders voorbeeldige katholieken waren, die ondanks de armoede een onbesproken christelijk leven leidden.

De meeste liefdadigheid concentreerde zich rond overgangsgebeurtenissen: communie, huwelijk, begrafenissen enz. De moraliserende houding van de katholieken kwam tot uiting in de keuze aan wie men hulp gaf: bij voorkeur aan mensen op wiens levenswijze niets viel aan te merken. Mensen die door eigen ‘schuld’ behoeftig waren kwamen konden op minder sympathie rekenen.

Aan deze kapel wordt haltgehouden tijdens één van de belevingswandelingen uitgewerkt door de Meetjeslandse Gidsen vzw en Plattelandscentrum Meetjesland vzw, met financiële steun van COMEET/Erfgoedcel Meetjesland. Meer info vind je hier.
foto
2007
Antoon Verhoeve, bruikleen